Rasbeschrijving 

Groot Lotharinger                     Klein Lotharinger

Land van oorsprong: Duitsland/Frankrijk            Land van oorsprong: Nederland

Erkend: 20 oktober 1907                                    Erkend: 15 juni 1975

1. Type en lichaamsbouw

20 punten

2. Gewicht              

10 punten

3. Pels                        

20 punten

4. Koptekening             

15 punten

5. Lichaamstekening    

15 punten

6. Kleur                       

15 punten

7. Conditie                 

5 punten

1. Type en lichaamsbouw

Groot Lotharinger: De Groot Lotharinger komt in bouw en gewicht zeer veel overeen met de Vlaamse Reus en moet dus ook een flink gestrekt type hebben. De oren hebben een minimum lengte van 16 cm (geen maximum lengte) en hebben een vlezige en krachtige structuur. Grote, forse, goed gedragen oren behoren bij dit grote ras. Het beenderenstelsel is iets fijner dan dat van de Vlaamse Reus.

Klein Lotharinger: De Klein Lotharinger komt in bouw en gewicht zeer veel overeen met de Klein Chinchilla, hoewel deze door zijn langere beharing wat groter zal lijken. Een wat matig gestrekt lichaam dient de voorkeur te hebben. De oren hebben een minimum lengte van 9 cm en een maximum van 10,5 cm. Een oorlengte van 9,8 cm is ideaal.

 

2. Gewicht

Groot Lotharinger: Het gewicht minstens 5 kg, er is geen maximum gewicht.

Klein Lotharinger: Het gewicht bedraagt minimaal 2,25 kg en maximaal 3 kg.

 

3. Pels

De beharing is kort en dicht, glanzend en zacht; alleen bij een dergelijke beharing komt het tekeningbeeld goed tot uiting. Bij een langere en meer open beharing zal het tekeningbeeld, hoewel misschien goed, wat verwaterd lijken.

 

4. Koptekening

Deze bestaat uit de vlinder, de oogringen, de wangstippen en de ooraanzet. De vlinder, waarvan de vleugels de onderkaak zeer dun omzomen, bestaat uit twee gelijk en gelijkvormig afgeronde vleugels, welke op beide zijden van de snuit liggen, in beide mondhoeken eindigen en scherp begrensd zijn. De doorn (welke fraai afgerond is) bevind zich op het midden van de neusrug. Een goede lengte voor de doorn is circa 1½ cm. Een brede, lange, korte, dunne, platte, spitse of gespleten doorn is foutief. De oogringen zijn goed gesloten en overal van dezelfde breedte. Ze zijn vrij van zg. uitlopers, haken of zg. ‘tranen’. De beide wangstippen bevinden zich op de plaats, waar zich het alleenstaande wanghaar op elke wang bevindt. Zij zijn rond van vorm. De oren zijn gekleurd, de begrenzing aan de wortel is zo scherp mogelijk. De koptekening is verder vrij van alle vlekjes of vlekken (vliegentekening). Een reine kop behoort bij een ideaal dier.

 

5. Lichaamstekening

Deze bestaat uit de aalstreep en de zijdetekening. De aalstreep begint direct achter de oren in de nek en verloopt, zonder enige onderbreking, als een scherp begrensde streep over de rug tot aan de staartwortel. Hoe gelijkmatiger en gladder deze streep verloopt, hoe beter. De bovenzijde van de staart heeft dezelfde kleur als de aalstreep en vormt zodoende de voortzetting daarvan tot aan het uiteinde van de staart. De vlekken van de zijdetekening zijn op beide zijden van het lichaam regelmatig verdeeld en in gelijk aantal. Als ideaal geldt 5 tot 8 vlekken op elke zijde. Het min. aantal stippen is 3. Slechts die vlekken die meetellen, die minstens 5 cm van de aalstreep verwijderd staan, zodat er tussen aalstreep en zijdetekening een vrij, wit kleurveld overblijft. Ook mogen ze niet te dicht bij elkaar staan of samenhangend zijn. De zijdetekening valt binnen de achterste helft van de romp; een tekening, welke daarvoor valt, wordt als kettingtekening beschouwd.

 

6. Kleur

De lichaamskleur is wit, waarop de beschreven tekening sprekend uitkomt. De tekening van de Groot en Klein Lotharinger is in alle erkende konijnenkleuren erkend. De Klein Lotharinger is niet erkend in driekleur, om verwarring met de Rijnlander te voorkomen. De meest voorkomende kleuren zijn zwart, blauw, bruin en madagascar.

 

7. Conditie

Het spreekt voor zich dat op een tentoonstelling of keuring het konijn in de beste conditie moet worden voorgebracht.

Het lichaam moet goed bevleesd en gespierd zijn. Slappe, magere of te vette dieren zijn uit den boze. De ogen moeten helder zijn, tintelend van levenslust. De pels vol ingehaard, glanzend en aanliggend. De nagels zijn kortgeknipt, evenwijdig met het loopvlak. De gehele pels alsook de voetzolen en binnenzijde van de oren moeten schoon zijn.